Met zijn penseel zet de kunstenaar een symbool neer dat voor iedereen iets anders betekent, maar dezelfde functie heeft: de fantasie te prikkelen. Zo creëren verhalen een droom-wereld die er voor eenieder anders uit ziet en anders voelt. Door taal te gebruiken om beelden en gevoelens te beschrijven gun je iedere lezer zijn eigen droom. Dat is wat verhalen voor
mij al van jongs af aan zijn: voeding voor dromen. Dromen die het leven zin geven. En wat kan de zin van het leven anders zijn, dan je leven zin te geven?

Labels

Laatste berichten

De Deventer moordzaak - een analyse van juridisch beslisgedrag

Artikelen - maandag 13 december 2010

Introductie

Een twijfelachtige geurproef, een mes dat niet het moordwapen blijkt te zijn, veel ruziënde deskundigen, een bemoeizuchtige opiniepeiler en een klusjesman met een twijfelachtig alibi. De Deventer moordzaak is een van de langstlopende rechtzaken in de geschiedenis van het Nederlands rechtsysteem [2]. De zaak
betreft de moord op weduwe Wittenberg in september 1999. In maart 2000 wordt de verdachte door de rechtbank Zwolle vrijgesproken wegen gebrek aan bewijs. Echter, in december van datzelfde jaar wordt verdachte Ernest Louwes wel schuldig bevonden en veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf. In 2001 gaat Louwes in cassatie; een twijfelachtige geurproef met een mes waarvan niet is vastgesteld dat het het moordwapen is en het negeren van een mogelijk alibi zijn hiervoor de reden. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.

Op 7 januari 2002 wordt een aanvraag tot herziening ingedient, wederom vanwege onduidelijkheid met betrekking tot correcte uitvoering en interpretatie van de geurproef. De aanvraag tot herziening wordt in juli 2003 gegrond verklaard. Het gerechtshof in Den Bosch zal ditmaal de zaak in behandeling nemen. Het
gerechtshof in Den Bosch besluit de geurproef buiten beschouwing te laten, maar komt in februari 2004 toch weer tot een veroordeling van 12 jaar vanwege het nieuwe feit dat DNA van Louwes op de blouse van de weduwe is aangetroffen. Louwes gaat in cassatie vanwege het gebruik van nieuw bewijsmateriaal, maar het cassatieberoep wordt wederom verworpen. Het is dan inmiddels februari 2005. Eind 2006 wordt
er onderzoek gedaan aan het graf van de weduwe, omdat daar wellicht een metalen voorwerp verborgen is dat verband houdt met de moord. Het onderzoek levert niets op. Er wordt hoger beroep aangetekend.

Inmiddels zet opiniepeiler Maurice de Hond zich al een tijdje in voor heropening van de zaak, omdat hij van mening is dat niet Louwes, maar de zogenaamde “klusjesman” de dader is. De Hond wordt op 22 december 2006 door de rechtbank Amsterdam verboden de klusjesman in het openbaar als moordenaar of verdachte aan te wijzen. Er komt een getuigenverklaring boven water waaruit blijkt dat de klusjesman al op de hoogte was van de moord en de manier waarop deze gepleegd was voordat het slachtoffer ontdekt werd. Begin 2008 concludeert Advocaat-Generaal Machielse dat het onwaarschijnlijk is dat de getuige reeds op de dag voor de ontdekking van het slachtoffer met de klusjesman over de moord heeft gesproken. Er is wel twijfel over het alibi van de klusjesman, maar dat wordt geen gegronde reden geacht om aan te nemen dat hij de moordenaar zou zijn. [1]

Dit document geeft een analyse van het juridische beslisgedrag in deze zaak. Daarbij worden alle verslagen van uitspraken in deze zaak gebruikt, het gaat dus om het beslisgedrag in meerdere rechtzittingen, zoals hierboven beschreven.

Een raamwerk voor de analyse: theory of anchored narratives

Alvorens in te gaan op de beslissingen, worden eerst de feiten beschreven die een rol hebben gespeeld in deze rechtzaak. Vervolgens zal de aanklacht jegens Ernest Louwes beschreven worden. De bewijsvoering van deze aanklacht zal worden beschreven volgens de “theory of anchored narratives” (zie [4]). Deze theorie verschaft een raamwerk voor de analyse van het beslisgedrag. De theorie stelt dat rechters en jury’s redeneneren op basis van een verhaal waarin de bekende feiten zijn verweven; het zogenaamde narrative. Dit vanwege het gegeven dat mensen niet goed om kunnen gaan met ‘losse’ feiten en beter kunnen beoordelen of een verhaal dat alle feiten verklaart aannemelijk is. Dat verhaal wordt gepresenteerd
door de aanklager. De aannemelijkheid van het  gepresenteerde verhaal wordt bepaald door te bekijken hoe
goed de feiten het verhaal ondersteunen. Verschillende delen van het verhaal, waarvan de rechter of jury dat nodig acht, zullen moeten worden ‘verankerd’ in een redenering die verklaart waarom dit deel van het verhaal de waarheid is. In dergelijke redeneringen worden de feiten betrokken.

Om echter een oneindige regressie van feiten die weer door andere feiten ondersteund dienen te worden, te voorkomen, moeten wel afspraken gemaakt worden over waar een keten van verankering mag stoppen. Dat kan bijvoorbeeld zijn wanneer een punt is bereikt waarop er niet meer op redelijke wijze getwijfeld kan worden over de waarheid van de verankering. Vaak is het eindpunt van zo’n verankering wat
Wagenaar een common-sense regel noemt. Een voorbeeld daarvan: iemand die zich volgens videobeelden van bewakingscamera’s vijf minuten voordat de bankoverval plaatsvond in een supermarkt aan de andere kant van de stad bevond kan niet de bankovervaller zijn, omdat het onmogelijk is dat hij zich binnen vijf minuten van de supermarkt naar de bank had verplaatst. Het is echter belangrijk om deze common-sense regels (in het voorbeeld: “het is onmogelijk om je binnen vijf minuten van de supermarkt naar de bank te
verplaatsen”) expliciet te maken in de onderbouwing van de beslissing om een verdachte te veroordelen of vrij te spreken. Door deze regels expliciet te maken kan duidelijk worden dat een verankering die op het eerste oog in orde lijkt te zijn, eigenlijk erg zwak is. Na de presentatie van de aanklacht zullen zwakke punten in de verankering naar voren worden gebracht.

Tot slot zal een alternatief verhaal worden gepresenteerd. Dit alternatieve verhaal is helaas eveneens niet sterk verankerd, dit maakt het verhaal echter niet minder aannemelijk dan de aanklacht tegen Louwes. Dit heeft te maken met de wijze waarop er in deze zaak onderzoek is gedaan en de wijze waarop hiervan verslag is gelegd alsmede de wijze waarop beslissingen van de rechter zijn onderbouwd in de verslaglegging van de uitspraken in deze zaak.

De feiten

Op zaterdag 25 september 1999 komt bij de regiopolitie IJsselland een bezorgd telefoontje binnen van een kapster die meldt dat een van haar klanten, die normaal gesproken erg punctueel is, niet is komen opdagen voor een afspraak. Een klein half uur later treft de politie Jacqueline Wittenberg, een 60-jarige weduwe, dood aan in haar woning in Deventer. [8] Doodsoorzaak zijn verstikking en messteken.[1] Zij heeft vijf
steekwonden van elk 10 cm diep. [3] Haar lichaam ligt ruggelings op de vloer voor de open haard. De achterdeur van de woning is afgesloten door middel van het slot en een knip aan de binnenkant van de deur, de voordeur is in het slot getrokken. De gordijnen zijn gesloten en er brandt licht in de keuken, gang en woonkamer. Er zijn geen sporen van een worsteling te zien; het interieur ziet er ordelijk uit. In het huis
worden dactyloscopische sporen aangetrokken. Een van deze sporen is afkomstig van de verdachte, Ernest Louwes, de overige sporen zijn afkomstig van de weduwe. Op de tafel in de woonkamer ligt een radio/televisiegids, opengeslagen op donderdag 23 september en er staat een ontkurkte, volle fles wijn. Naast de tafel ligt het Deventer Dagblad van donderdag 23 september en nog een aantal andere kranten. Onder de brievenbus ligt een stapel post, waaronder het Deventer Dagblad van vrijdag 24 september en van zaterdag 25 september en de Telegraaf van beide data. Het bed in de slaapkamer is opgemaakt. [8]

Mevrouw Wittenberg was die vrijdag niet verschenen op haar afspraak met een schoonheidsspecialiste en zij heeft haar bestelling bij de groenteboer die vrijdag niet afgehaald. De schoonheidsspecialiste heeft haar die dag meerdere malen geprobeerd te bereiken, omdat mevrouw Wittenberg juist zo bekend stond om haar punctualiteit, maar zij kreeg geen gehoor. De buren hebben haar op vrijdag ook niet meer gezien. Uit getuigenverklaringen blijkt dat mevrouw Wittenberg vaste gewoontes had: zij at ’s avonds vrij laat, deed daarna meteen de afwas en keek elke dag naar het journaal van 20.00 uur. Nadat ze de afwas had gedaan hing ze haar schort op aan een haakje in de keuken. Als ze televisie keek dan verving ze een van de stoelen aan de tafel in de woonkamer voor een rieten stoel; haar ‘televisiestoel’. Deze rieten stoel stond altijd op een andere plaats, wanneer zij geen televisie aan het kijken was. Op 25 september werd deze ‘televisiestoel’ aan de tafel aangetroffen. Haar schort hing over de stoel die naast de ‘televisiestoel’ stond. In de keuken werd geen afwas aangetroffen. Ook blijkt uit deze getuigenverklaringen dat zij bij het invallen van de schemer de gordijnen sloot en de lichten aan deed en dat zij ’s avonds de deur niet zou openmaken voor een onbekende. [8]

Verdachte Ernest Louwes heeft een financieel motief: hij was door weduwe Wittenberg vlak voor haar overlijden [6] tot haar executeur-testamentair benoemd, zij had hem gevraagd na haar overlijden voorzitter te worden van een stichting waardoor hij beheer zou krijgen over een aanzienlijk vermogen. [1]
Bovendien blijkt uit verhoor van het kantoorhoofd van het bedrijf waar Louwes werkte, dat hij wel eens heeft gesproken over het wonen op Malta. [3,7] Ook heeft Louwes na het overlijden van weduwe Wittenberg twintigduizend gulden op een rekening gestort die op zijn naam staat. [3,8]

Er is geen schade vastgesteld aan of in de woning. [5] De verdachte was in het bezit van een sleutel van de woning. [6] In de omgeving van de woning van weduwe Wittenberg wordt een mes gevonden. Een geurproef wijst uit dat de lichaamsgeur van de verdachte op het mes aanwezig is. [5] Van het slachteroffer
is geen enkel lichaamsspoor op het mes aangetroffen. [7] Het lemmet van het mes heeft een lengte van 18.5 cm. [3] Het mes heeft, voor het werd gevonden, 72 uur in de regen gelegen. Het mes heeft een recht lemmet. Rafelachtige beschadigingen die zijn gevonden in de blouse van het slachtoffer, kunnen niet
worden veroorzaakt door een mes met een recht lemmet. Op die blouse is ook een bloedvlek gevonden in de vorm van een lemmet, maar dat heeft niet de vorm van het lemmet van het gevonden mes. Een mes van het type Global-GS8 vertoont wel gelijkenis met de bloedafdruk. Dit mes heeft een lemmet met een lengte van 10 á 11 cm. [7]

De verdachte heeft omstreeks het vermoedelijke tijdstip van overlijden (op 23 september, niet ver na 20.36 uur) een telefoongesprek gevoerd met de weduwe. Dit gesprek is verlopen via GSM-zender 14501 te Deventer. [3,7] Verdachte heeft verklaard zich op dat moment niet in Deventer, maar op de snelweg nabij ’t Harde te bevinden. [3] Nabij 't Harde bevindt zich GSM-zender 14801. Een deskundige van de KPN
verklaart dat wel eens fouten worden gemaakt bij het handmatig invoeren van deze GSM-zender codes en
dat het systeem toestaat dat codes dubbel in gebruik zijn. 't Harde bevindt zich op ongeveer 24 kilometer afstand van Deventer. Onder normale omstandigheden zullen radiosignalen van een GSM contact leggen met het dichtsbijzijnde basisstation. Wanneer dit station vol is, zal een volgend station gezocht worden. Tussen Deventer en 't Harde bevonden zich in 1999 al honderden basisstations. [11] Op 22 en 23 september 1999 was er sprake van uitzonderlijke atmosferische omstandigheden die ervoor kunnen zorgen
dat radiosignalen verder reiken dan normaal. [7]

Bij een herziening van de rechtzaak in 2004 wordt onderzoek verricht naar DNA-sporen op de blouse van het slachtoffer. Van zeven DNA-sporen wordt onderzocht wie de donor is. Vijf van de zeven sporen zijn een mengprofiel waarin in elk geval celmateriaal van het slachtoffer en van de verdachte aanwezig zijn. Een ander spoor is afkomstig van het slachtoffer en een bloedvlek op de achterzijde van de kraag is afkomstig van de verdachte. Bij biologische sporen zoals speeksel, zweet, sperma en bloed wordt meer DNA overgedragen dan wanneer slechts sprake is van overgedragen huidcellen. Onderzoek van de plekken waar de zeven sporen zijn aangetroffen met een crimescope leveren geen resultaat op. Dat houdt in dat op die plaatsen geen normale biologische sporen aanwezig zijn, of dat die te zwak zijn om te worden waargenomen met de gebruikte crimescope. De gebruikte standaardmethoden van het NFI om deze zeven DNA-sporen te verkrijgen zullen over het algemeen geen DNA-profielen afkomstig van huidcellen opleveren die zijn overgedragen via normaal, zakelijk contact - er zijn minstens 200 cellen nodig om een resultaat op te leveren. De gebruikte standaardmethoden kunnen echter wel DNA-profielen opleveren afkomstig van normale biologische sporen die redelijkerwijs wel kunnen zijn overgedragen via
normaal, zakelijk contact. Het is niet mogelijk om te bepalen van welk type celmateriaal DNA-sporen afkomstig zijn; of dat huidcellen betreft of bijvoorbeeld speeksel of zweet. De verdachte is op de ochtend van 23 september nog bij het slachtoffer op bezoek geweest. Hij heeft haar naar eigen zeggen toen een hand gegeven. Ook geeft hij aan dat het mogelijk is dat hij haar heeft aangeraakt op een moment dat zij
emotioneel was. De werkster van het slachtoffer was op die ochtend ook in de woning aanwezig en bevestigd dat de verdacht die ochtend bij het slachtoffer op bezoek is geweest. [11]

De aanklacht

De aanklacht luidt dat verdachte Ernest Louwes op donderdag 23 september kort na 20.36 uur slachtoffer Jacqueline Wittenberg in haar woning in Deventer opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd. Dat heeft hij gedaan met de opzet om haar van het leven te beroven en na kalm beraad en rustig overleg, door haar hals dicht te drukken en haar met een mes meerdere malen in de borst te steken.
[5] Initieel wordt Louwes vrijgesproken vanwege gebrek aan bewijs, later wordt hij voor de moord veroordeeld tot een celstraf van 12 jaar. [1]

De identiteit van de dader stelt het hof vast op basis van een aantal feiten:

  • De voordeur van de woning van het slachtoffer was niet afgesloten, maar in het slot getrokken. De achterdeur had zij wel afgesloten. Verschillende getuigen verklaren dat zij 's avonds de woning afsloot en de deur niet meer open zou doen voor vreemden. Aangezien er ook geen sporen van braak zijn, moet de dader dus een bekende zijn geweest van het slachtoffer. Ernest Louwes was een bekende van mevrouw Wittenberg. Hij was immers haar financieel adviseur. Ook had hij in de periode voor de moord geregeld contact met hoor over het wijzigen van haar testament. [7]
  • In de omgeving van de woning van mevrouw Wittenberg wordt een mes gevonden. Een geuridentificatieproef wijst uit dat de geur van Louwes op het mes aanwezig was. [7] Deze zogenaamde sorteerproef wordt later in de bewijsvoering buiten beschouwing gelaten, omdat de
    uitkomst van de proef niet betrouwbaar is en bovendien niet waarschijnlijk is dat het mes het moordwapen is. Hierover zal verder worden uitgeweid in de sectie "Zwakke verankering". Initieel vormde deze sorteerproef echter een belangrijk onderdeel in de verankering van de identiteit van de dader.
  • Ernest Louwes heeft op die donderdag om 20.36 met zijn mobiele telefoon een telefoongesprek gevoerd met mevrouw Wittenberg. Het signaal voor dit gesprek is doorgegeven via basisstation 14501 te Deventer. Onderzoek naar de werking van dit basisstation wijst uit dat Louwes zich op het moment dat het telefoongesprek plaats had in of nabij Deventer heeft bevonden. [7] In deze verankering is ook het tijdstip waarop de moord heeft plaatsgevonden van belang. De verankering van dit tijdstip - kort na 20.36 uur op donderdag 23 september 1999 - wordt later besproken.
  • Op het moment dat de sorteerproef buiten beschouwing moet worden gelaten in de bewijsvoering, zou de verdachte moeten worden vrijgesproken, omdat het overgebleven bewijs niet voldoende verankering
    zou bieden voor de identiteit van de dader. In februari 2004 wordt door het hof onderkend dat de sorteerproef buiten beschouwing moet worden gelaten. Inmiddels zijn er echter middelen beschikbaar om DNA-sporen te onderzoeken. Op de blouse die het slachtoffer droeg op het moment dat zij overleed worden DNA-sporen aangetroffen. Op de achterzijde van de kraag van de blouse bevindt zich een klein bloedvlekje, waarvan het DNA-profiel overeenkomt met dat van Louwes. Dit is een
    enkelvoudig profiel, het bevat dus geen DNA van een andere persoon dan Louwes. De kans dat een
    willekeurige andere man hetzelfde DNA-profiel heeft is kleiner dan één op de miljard. Verder zijn er een aantal mengprofielen verkregen bestaande uit DNA van het slachtoffer en de verdachte Louwes. Uit één van deze mengprofielen wordt een volledig profiel gevonden dat overeenkomt met dat van de verdachte. Hiervan is de kans wederom kleiner dan één op de miljard dat het DNA afkomstig is van een ander mannelijk individu. De overige vijf mengprofielen leveren een partieel profiel op waarvan kenmerken overeenkomen met het profiel van de verdachte. Van deze partiële profielen is de kans
    kleiner dan één op de miljoen dat ze afkomstig zijn van een ander mannelijk individu. Deze mengprofielen zijn verkregen van locaties op de blouse waar zich lichtrode vlekken bevonden. Het is aannemelijk dat op deze locaties door de dader kracht is uitgeoefend op het lichaam van het slachtoffer. Even buiten deze locaties zijn ook monsters genomen van de blouse. Daar worden geen DNA-sporen in aangetroffen. [8] De verankering van het DNA-bewijs heeft een diepgaande structuur, die verderop zal worden besproken.

De arts-patholoog die het lichaam heeft onderzocht verklaart dat de messteken in de borststreek en samendrukkend geweld ter plaatse van de hals de oorzaak zijn van het overlijden. Beide handelingen zijn afzonderlijk van elkaar levensbedreigend geweest. De messteken kunnen zijn toegebracht door een aan
één zijde snijdend mes. Verder is er ook een inwerking geweest van uitwenig mechanisch, botsend geweld
ter plaatse van het achterhoofd en de nek en heeft uitwendig mechanisch samendrukkend geweld ter plaatse van de borst diverse ribbreuken opgeleverd. Een rapport van ing. Eikelenboom geeft aan dat het slachtoffer inderdaad op deze verschillende wijzen is verwond en dat de dader zich ofwel van te voren van een steekwapen moet hebben voorzien, ofwel dat hij er in de woning van het slachtoffer een steekwapen
bij heeft gepakt. De messteken zijn toegebracht toen het slachtoffer al op de grond lag. Hieruit trekt de rechter de conclusie dat de dader heeft gehandeld met het doel het slachtoffer te doden en dat hij zowel voorafgaand aan en gedurende het toebrengen van de verwondingen tijd heeft gehad zich te beraden, zodat hij de gelegenheid heeft gehad over de betekenis en gevolgen van zijn daad na te denken en zich daar rekenschap van te geven. [8] Op deze wijze verankert het hof de actus reus, moord met voorbedachten rade en wel door na kalm beraad en rustig overleg de hals van het slachtoffer in te drukken en haar meerdere malen te steken met mes.

Verdachte Ernest Louwes heeft ook een motief voor deze moord. Kort voor de moord heeft hij haar geholpen bij het wijzigen van haar testament. [3] In dit nieuwe testament heeft mevrouw Wittenberg bijna haar hele nalatenschap bestemd voor een op te richten stichting. Louwes wordt benoemd tot voorzitter van de stichting en is bovendien in het nieuwe testament executeur-testamentair. Dit geeft hem beheer over het vermogen dat mevrouw Wittenberg nalaat. Bovendien heeft de penningmeester van de stichting verklaard dat Louwes zich na het overlijden van mevrouw Wittenberg heeft uitgelaten over het aanschaffen van goederen met geld van de stichting. Hij heeft onder meer gesproken over het kopen van een huisje op
Malta of in Spanje. Verder heeft Louwes ook een privé-rekening geopend ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap, omdat de stichting niet bij de Kamer van Koophandel was ingeschreven. Hij heeft voor de inschrijving van de stichting bij de Kamer van Koophandel echter ruim de tijd gehad. Er werd pas een bankrekening op naam van de stichting geopend nadat een lijfrenteverzekeraar heeft aangegeven dat
hij het geld niet op de privé-rekening wilde storten. [7]

Het tijdstip van overlijden wordt als volgt verder verankerd: Om 20.36 heeft het slachtoffer een telefoongesprek gehad met de verdachte dat 16 seconden duurde. Dit was het laatste telefoongesprek dat het slachtoffer heeft gevoerd. Zij is dus na 20.36 uur om het leven gebracht. Op de deurmat achter de
voordeur ligt een onaangeroerde stapel poststukken waaronder het Deventer Dagblad en de Telegraaf van vrijdag 24 september en zaterdag 25 september. Het slachtoffer had op vrijdag 24 september om 10.00 uur een afspraak bij de schoonheidsspecialiste waarop zij niet is verschenen. De schoonheidsspecialist heeft haar die dag niet meer telefonisch kunnen bereiken. Ook is zij haar bestelling bij de groenteboer die dag niet komen afhalen. Ten slotte hebben de buren van het slachtoffer, waarmee zij een dubbele oprit deelde, haar op vrijdag niet gezien, terwijl een van hen die middag rondom het huis bezig was en op de dubbele oprit zijn motor heeft gewassen. Op de tafel in de woonkamer lag een televisiegids opengeslagen op donderdag 23 september. Uit een getuigenverklaring van de werkster van het slachtoffer blijkt dat het slachtoffer altijd om 20.00 uur het journaal keek en dat zij daarvoor de afwas deed. In de keuken werd geen afwas gevonden. Het schort dat zij droeg bij haar werkzaamheden hing niet, zoals normaal gesproken het geval is, aan een haakje in de keuken, maar over een stoel aan de tafel in de woonkamer. Verder is het bed in de slaapkamer opgemaakt. [8] Uit dit alles blijkt dat zij niet ver na 20.36 uur moet zijn overleden.

Dat het gevonden DNA-bewijs moet zijn achtergelaten door de dader ten tijde van het misdrijf wordt als volgt verder verankerd: Het bloedvlekje in de kraag is waarschijnlijk ontstaan door een kleine hoeveelheid vloeibaar bloed uit een kleine verwonding, ontstaan kort voor of tijdens het contact met de blouse. Bloed
uit een kleine verwonding stolt snel en veroorzaakt dus maar een klein vlekje. Gezien de locatie van dit vlekje, in de kraag van de blouse, is het zeker mogelijk dat dit vlekje ontstaan is tijdens het misdrijf. De lichtrode vlekken, die vermoedelijk uit make-up bestaan, bevinden zich op locaties waar het slachtoffer
strangulatiesporen en ribbreuken heeft  pgelopen.Vermoedelijk zijn bij de dader make-up sporen achtergebleven op zijn handen op momenten dat hij het slachtoffer in de omgeving van de nek heeft vastgepakt en zijn deze make-up sporen later overgedragen naar de blouse van het slachtoffer op plaatsen
waar de dader haar heeft vastgepakt of kracht heeft uitgeoefend. Het is onwaarschijnlijk dat deze DNAsporen
afkomstig zijn van lichaamsvloeistoffen zoals speeksel of zweet van de verdachte, omdat onderzoek met een crimescope op deze locaties geen resultaat gaf. Het is daarom waarschijnlijk dat de DNA-sporen afkomstig zijn van huidcellen. Bij de gebruikte methoden van DNA-onderzoek worden over
het algemeen geen profielen verkregen uit huidcellen die zijn overgedragen bij zakelijk, oppervlakkig contact. Er moeten namelijk minimaal 200 cellen worden overgedragen om een profiel te kunnen verkrijgen. Dit alles blijkt uit een verklaring van ing. Eikelenboom. De verdachte geeft aan dat hij in de
ochtend van 23 september bij het slachtoffer op bezoek is geweest en dat hij haar toen een hand heeft gegeven. Hij geeft verder aan dat hij haar wellicht heeft aangeraakt op een moment dat zij emotioneel is geweest, maar hij kan zich een dergelijk contact niet expliciet herinneren. Aangezien een dergelijke hoeveelheid huidcellen niet wordt overgedragen bij normaal zakelijk contact zoals het geven van een hand, wijst dit er op dat op het moment van overdracht van geweld sprake moet zijn geweest. [8]

Zwakke verankering

Een aantal verankeringen in deze zaak zijn van een dergelijk karakter dat niet kan worden gesteld dat in alle redelijkheid geen andere verklaring kan worden gegeven die consistent is met de feiten maar op een andere dader, een andere omschrijving van de actus reus, danwel een andere omschrijving van de mens rea duidt.

De identiteit van de dader is verankerd in een viertal  bewijsconstructies. Ten eerste zou de verdachte zich in, of in de omgeving van Deventer hebben bevonden omstreeks het  tijdstip van het overlijden van het slachtoffer. Dit wordt afgeleid uit een telefoongesprek dat de verdachte met het slachtoffer heeft gehad. Dit telefoongesprek is namelijk doorgegeven via GSM-zendmast 14501 te Deventer. Deskundigen
verklaren dat het niet aannemelijk is dat de verdachte zich op dit moment op de snelweg nabij ’t Harde bevond, zo’n 24 kilometer verwijderd van Deventer, omdat GSM’s verbinding maken met het dichtsbijzijnde, beste verbindingspunt x en op het moment dat zo’n verbindingspunt vol is, aanklikken bij een volgende verbindingspunt in de nabuurlijst van x. Aangezien zich tussen Deventer en ’t Harde ten tijde van het misdrijf al zo’n honderd verbindingspunten bevonden, is het niet aannemelijk dat het signaal van dit gesprek via al deze verbindingspunten uiteindelijk is uitgekomen bij zendmast 14501.

Er zijn echter andere deskundigen die dit tegenspreken en verklaren dat op momenten dat er sprake is van bepaalde atmosferische omstandigheden die propagatie van radiosignalen bevorderen, het gezien de afstand tussen Deventer en ’t Harde en de hoogtestructuur van het landschap tussen Deventer en ’t Harde geheel mogelijk is dat het signaal van een GSM nabij ’t Harde wordt opgevangen door een GSM-mast in Deventer. Uit rapporten van het National Oceanic and Atmospheric Administration Institue blijkt dat er sprake was van dergelijke atmosferische omstandigheden op 22 en 23 september 1999. [7] Het feit dat deskundigen elkaar tegenspreken is door de rechter niet meegenomen in de afweging van de bewijslast van het gevoerde telefoongesprek.

Bovendien verklaart een deskundige van KPN dat het mogelijk is dat er een fout is gemaakt in het handmatig invoeren van zender codes. Zender code 14801 hoort bij een GSM-zendmast nabij ’t Harde. Deze zou per abuis zender code 14501 kunnen hebben gekregen, het systeem staat dubbele zendercodes
namelijk toe.[7] De rechter heeft er voor gekozen om ook deze deskundige-verklaring niet mee te nemen in zijn oordeel van de bewijslast van het telefoongesprek.

Verder wordt er in deze verankering van uit gegaan dat het tijdstip van overlijden kort na 20.36 op die bewuste donderdagavond ligt. Deze verankering bevat ook zwakke punten. Het is niet onmogelijk dat de weduwe pas veel later op die avond is gestorven. Dat de lichten aan zijn en de gordijnen gesloten wijst er op dat zij de volgende ochtend hoogst waarschijnlijk niet meer in leven was. Behalve het telefoongesprek zijn er echter geen aanwijzingen dat zij kort na 20.36 uur gestorven zou zijn. De bewijsconstructie
gebruikt in eerste instantie het tijdstip van het laatste  telefoongesprek om aan te tonen dat zij kort na 20.36
uur is overleden. Vervolgens wordt het tijdstip van ditzelfde telefoongesprek gebruikt om te bewijzen dat de verdachte zich rond het vermoedelijke tijdstip van overlijden in of nabij Deventer bevond. Hier wordt dus gebruik gemaakt van een cirkelredenering. Het tijdstip van het telefoongesprek mag niet tegelijkertijd gebruikt worden in de verankering van het tijdstip van overlijden én de verankering van de aanwezigheid
van de verdachte in Deventer ten tijde van het tijdstip van overlijden.

Ten tweede wordt de geur van de verdachte gevonden op een mes dat wordt aangetroffen in de omgeving van de woning van mevrouw Wittenberg. Echter is het mes gevonden in een woonhofje waar het een aantal dagen is blootgesteld aan wind en regen voordat het werd gevonden. [5] Ook is de geurtest niet
verlopen volgens de voorschriften; naast de geur van Louwes zijn als bijleggers de geur van agenten gebruikt. Daarmee zijn de bijleggers dus afkomstig van een homogene groep, wat ervoor kan zorgen dat de hond reageert op die ene uitzondering – de geur van Louwes. En bovendien is het mogelijk dat de hond de geur van de agenten al kende voordat de proef plaatshad, wat er ook voor zou zorgen dat hij zou reageren op die ene onbekende geur. [5] Op het moment dat er namelijk geen relevante geur meer aanwezig is (en vanwege de blootstelling aan regen was dat waarschijnlijk het geval), wordt de keuze van de hond in grotere mate afhankelijk van andere omstandigheden. [7] Een deskundige die had getuigt over
de betrouwbaarheid van de geurproef verklaarde later dat zij niet op de hoogte was van deze bijzondere omstandigheden op het moment dat zij haar verklaring aflegde. [5]

Later zou zelfs blijken dat het mes niet het moordwapen geweest kon zijn. Het lemmet van het mes had namelijk een andere vorm dan de bloedafdruk in de vorm van een lemmet die op de blouse van het slachtoffer was aangetroffen. En verder waren de steekwonden allen 10 centimeter diep, terwijl het lemmet van het gevonden mes 18.5 centimeter lang was. Het is zeer onwaarschijnlijk dat met een mes met een lemmet van 18.5 centimeter vijf steekwonden worden aangebracht die allen 10 centimeter diep zijn. [3]

Later wordt het mes buiten beschouwing gelaten in de  bewijsvoering. Dan zijn er inmiddels technieken ontwikkeld om DNA-sporen te vergelijken. Het ontstaan van het bloedvlekje in de kraag heeft nog een andere aannemelijke verklaring: de verdachte heeft aangegeven dat hij op de ochtend van 23 september bij het slachtoffer op bezoek is geweest. Hij heeft haar toen in elk geval een hand gegeven. Hij verklaart verder dat hij haar wellicht ook heeft aangeraakt op een moment dat zij emotioneel werd (het feit dat de verdachte zich een zodanig contact in concreto niet kan herinneren kan simpelweg worden verklaard door het verstrijken van tijd tussen die bewuste donderdag en het moment van de rechtzaak, de eerste zitting
vond pas plaats in maart 2000, verdachte werd pas in december 2000 veroordeeld). Ook geeft hij aan dat
hij wel vaker velletjes aan de zijkant van zijn nagels wegtrekt of afbijt [3]. Wanneer hij dat dus zou hebben gedaan vlak voordat hij haar troostend een hand op de rug legde, dan kan dat zeer zeker een verklaring geven voor de aanwezigheid van dat bloedvlekje in de kraag zonder dat dat enige connectie
heeft met het misdrijf. Verder is het ook een verklaring die meer aannemelijk is dan dat er een klein wondje zou zijn ontstaan tijdens het misdrijf waarvan dit bloedvlekje het resultaat is. Als er immers grote kracht zou zijn uitgeoefend op die plaats in de nek, als gevolg waarvan het bloed uit het kleine wondje in
de kraag terecht zou komen, dan zou het niet aannemelijk zijn dat het vlekje zo klein is. Zelfs als wordt aangenomen dat bloed uit een klein wondje snel stolt, zou te verwachten zijn dat bij een gewelddadige handeling een aanraking niet zo precies  op één locatie blijft totdat het bloed gestold is. Het is eerder te
verwachten dat er dan een streepje bloed zou ontstaan, omdat de hand wat verschuift over de blouse wanneer iemand krachtig wordt vastgegrepen. Bij een aanraking met de bedoeling om te troosten wordt veel minder kracht uitgeoefend. Het is aannemelijker dat zo’n klein bloedvlekje ontstaat als gevolg van
een minder krachtige aanraking. Het onderzoeksinstituut NFI heeft ook verklaard dat het preciese mechanisme waarmee het bloedvlekje op de blouse terecht is gekomen niet kan worden vastgesteld [11].

In de vlekken van lichtrode substantie (waarschijnlijk make-up), wordt DNA van de verdachte aangetroffen. Omdat een test met een crimescope geen resultaat oplevert wordt er van uit gegaan dat dit DNA niet afkomstig is van speeksel of zweet, dat kan worden overgedragen bij normaal zakelijk contact. Bij forensisch onderzoek kan niet worden vastgesteld wat de precieze aard is van het gevonden celmateriaal en een negatief resultaat met een crimescoop sluit de aanwezigheid van lichaamsvloeistoffen niet uit; een geringe hoeveelheid lichaamsvloeistoffen kan ongedetecteerd blijven door een crimescoop, maar kan wel voldoende DNA-materiaal opleveren om resultaat te verkrijgen met de gebruikte standaardmethoden, omdat het gemakkelijker is om DNA-sporen te verkrijgen uit lichaamsvloeistoffen dan uit huidcellen. Er kan dus niet met zekerheid gezegd worden of de DNA-sporen die zijn gevonden in de lichtrode vlekken afkomstig is van lichaamsvloeistoffen zoals speeksel of zweet, of dat het afkomstig is van huidcellen. Er wordt geredeneerd dat, omdat bij het delict geweld gebruikt is, het aannemelijk is dat
het hier om huidcellen gaat. Later wordt echter ook de  redenering gebruikt dat er minimaal 200 huidcellen nodig zijn om een positief resultaat op te leveren bij de gebruikte standaard onderzoeksmethode en dat een overdracht van een dergelijke hoeveelheid huidcellen alleen verklaard kan worden doordat er geweld gebruikt is op het moment van overdracht. [11] Hier is dus wederom sprake van een cirkelredenering.

De aanwezigheid van DNA-sporen van de verdachte in de lichtrode make-up vlekken en de afwezigheid daarvan even buiten deze vlekken kan dus wel worden verklaard door speekseloverdracht bij normaal, oppervlakkig contact. Wanneer mensen met elkaar praten kijken ze elkaar immers aan en het is daarom aannemelijk dat speekseloverdracht ter hoogte van het gezicht heeft plaatsgevonden. Verder hebben sommige mensen bij het geven van een hand ook de gewoonte om elkaar drie zoenen op de wang te geven. Dat zou ook de aanwezigheid van speeksel van de verdachte in de make-up van het slachtoffer kunnen verklaren. Als dan later de make-up via de handen van een andere dader terecht komt op een
aantal plaatsen op de blouse van het slachtoffer, dan zal in die vlekken nog DNA van de verdachte aanwezig zijn, terwijl de verdachte niets met het misdrijf te maken heeft gehad. Uit de literatuur blijkt ook inderdaad dat dergelijke ‘secondary tranfer’ mogelijk is. [11]

Verder wordt ter verankering van het DNA bewijs ook nog aangedragen dat, wanneer de verdachte niet de dader zou zijn, er verwacht mag worden dat naast het DNA van het slachtoffer en de verdachte ook nog DNA van een derde persoon gevonden zou moeten worden. Dit is echter niet juist. Deskundige dr. De Knijff stelt dat niet te voorspellen valt of DNA wordt overgedragen, de ene persoon draagt makkelijker en
meer DNA over dan de ander. [8] Bovendien kan het ook nog het geval zijn dat de dader handschoenen heeft gedragen. Een analyse van textieldeskundige I. Biemans in maart 2007 geeft inderdaad een indicatie dat de dader “met grote mate van waarschijnlijkheid handschoenen heeft gedragen”. [11]

Ook bij het veiligstellen van de blouse zijn enkele problemen ondervonden. Het kan niet worden uitgesloten dat de blouse is gecontamineerd met andere in beslag genomen voorwerpen in deze zaak. [8] Pas in december 2003 is er een proces-verbaal opgemaakt over de wijze van inbeslagneming van de blouse. [9] Gezien de tijd die verstreken is tussen het in beslag nemen van de blouse en het opmaken van het proces-verbaal is er een behoorlijke kans dat het proces-verbaal niet geheel waarheidsgetrouw is. Het is zelfs waarschijnlijk dat de herinnering van de inbeslagname interferentie heeft ondervonden van andere inbeslagnamen, aangezien politie-agenten wel vaker voorwerpen in beslag nemen. Verder is bij deze blouse, evenals bij het mes het geval was, weer sprake van een inconsistent gebruik van identificatienummers,
een duidelijke indicatie dat er fouten zijn gemaakt in dit dossier. De betrokkenen in deze zaak zullen zich daar ook van bewust zijn geweest en dat kan ertoe geleid hebben dat betrokkenen hebben geprobeerd hun fouten te verdoezelen om te  voorkomen dat een in hun ogen schuldige man op vrije
voeten komt. Het lijkt wellicht onwaarschijnlijk dat een eerlijke politie-agent zou liegen om zijn eigen fouten te verdoezelen, maar Wagenaar beschrijft een aantal zaken waarin dat wel degelijk voorkomt [4]. Daar komt nog bij dat er in de periode van de rechtzaak ook een verhuizing is geweest van de technische
recherche waar alle in beslag genomen spullen lagen opgeslagen. Daarbij zijn een aantal zaken een tijdje zoek geraakt. Er is onduidelijkheid over wat er in die periode met die spullen is gebeurd. [8]

Tot slot moet nog worden vermeld dat de rechter inzake het DNA-bewijs zijn oordeel heeft gebaseerd op de verklaringen van één deskundige. Het oordeel rust dus op de aanname dat die deskundige niet heeft gelogen en geen fouten heeft gemaakt. Uit een latere rapportage van andere deskundigen blijkt dat zij de uitgangspunten van deze ene deskundige niet als “de meest waarschijnlijke toedracht bestempelen” [11].
Deze uitkomst is ook niet erg verrassend, gezien het feit dat onderzoek naar DNA-sporen pas twee jaar mogelijk was ten tijde van de rechtzaak, en dus nog in de kinderschoenen stond. [11] Maar het is wel zo dat de identiteit van de dader met name is verankerd in het DNA-bewijs. In [11] wordt bovendien ook nog
vermeld dat DNA-bewijs nooit als direct bewijs voor identiteit gebruikt mag worden, omdat het onmogelijk is om onomstreden vast te stellen wat de oorzaak is van de aanwezigheid van iemands DNAmateriaal op een bepaalde plaats. Men kan moeilijk stellen dat het criterium ‘beyond reasonable doubt’ hier is bereikt. Het feit dat de verdachte het slachtoffer kende, zijn aanwezigheid in Deventer ten tijde van
het delict en de aanwezigheid van zijn DNA op de blouse van het slachtoffer kunnen tezamen andere verklaringen dan ‘verdachte is de dader’ niet uitsluiten en bovendien zijn het tijdstip van overlijden, en verdachte’s aanwezigheid in Deventer ook nog zwak verankerd.

Wat betreft de actus reus, lijkt zonder twijfel te zijn vastgesteld dat het slachtoffer geen natuurlijke dood is gestorven. Er is dus in elk geval sprake van doodslag. De rechter acht ook bewezen dat er sprake is van voorbedachten rade, en dus van moord. Er is sprake van moord omdat het slachtoffer op zoveel
verschillende wijzen is verwond en omdat de dader zich ofwel van te voren ofwel ter plekke heeft voorzien van een steekvoorwerp. Gezien het grote aantal verwondingen kan gesteld worden dat de dader doelbewust heeft gehandeld en dat hij voldoende tijd gehad om na te denken over de gevolgen van zijn daad. Het gebruik van een steekvoorwerp wijst er ook op dat de dader het doel had om het slachtoffer om
het leven te brengen. [9] Echter, het grote aantal verwondingen en het gebruik van een steekvoorwerp kunnen er juist ook op wijzen dat de dader in een opwelling heeft gehandeld. Als de dader er tijdens de daad een steekvoorwerp bij heeft gepakt dan is dat juist meer een aanwijzing dat de dader inderdaad in een opwelling heeft gehandeld dan dat er sprake was van voorbedachten rade. Er kan niet worden vastgesteld
of de dader zich reeds voor de daad of pas tijdens de daad heeft voorzien van een steekvoorwerp. [9]

Het motief van de verdachte is erg zwak verankerd. Louwes zou uit zijn op de nalatenschap van de weduwe. Het geld zou echter naar een stichting gaan waarvan Louwes de voorzitter zou worden. Dit betekent dat hij wel de beschikking heeft over het geld, maar niet voor privé-doeleinden. Verder zou hij
gesproken hebben over het aanschaffen van een huis op Malta of in Spanje. Louwes verklaart zelf dat dat was naar aanleiding van een tv-programma over belastingparadijzen. De getuige die had verklaard dat Louwes hierover had gesproken bevestigt dat ook. Het spreken over de aanschaf van een huis op Malta of
in Spanje staat dus los van de nalatenschap van de weduwe. Louwes zou ook op een ongebruikelijke wijze hebben gehandeld omtrent het afwikkelen van het testament. Hij had een privé-rekening geopend om contant geld van de weduwe op te storten. Dit heeft hij echter gedaan omdat het niet mogelijk was een rekening op naam van de stichting te openen, omdat die nog niet was ingeschreven bij de Kamer van
Koophandel. Hij zou hiervoor ruim de tijd hebben gehad. Dat dit voor Louwes een situatie was waarmee hij geen ervaring had, wordt in deze redenering onterecht buiten beschouwing gelaten. [3] Verder is het aannemelijk dat Louwes contant geld dat werd gevonden in het huis van de weduwe liever wilde
veiligstellen, dan maar tijdelijk op een privé-rekening, dan dat hij het terug zou brengen naar de woning van de weduwe of contant zou bewaren.

Alternatief verhaal met verankering

In deze zaak is ook een alternatief verhaal naar voren gekomen. Daarvan zijn echter niet veel details bekend, omdat de dader in dit verhaal nooit als verdachte is aangemerkt. Een aantal omstandigheden kunnen aannemelijk maken dat Michael de Jong mogelijk de dader was. De Jong was ook een bekende
van mevrouw Wittenberg. Hij is bij haar man onder behandeling geweest in verband met driftbuien. [7] Zelf omschrijft hij dat ze als een moeder voor hem was [7] en in de omgeving noemt men hem de pleegzoon van mevrouw Wittenberg. [11]

Er zijn destijds verklaringen afgenomen van De Jong en zijn vriendin. Deze verklaringen waren zowel innerlijk als onderling op meerdere punten tegenstrijdig. Later verklaren beiden dat ze elkaar die avond troffen in sociëteit Ceres Vesta, dat de vriendin daar om 20.00 uur aankwam en dat De Jong toen al in de
sociëteit aanwezig was. Ze zijn daarna pas laat in de avond naar huis gegaan. [11] De initiële tegenstrijdige verklaringen geven al een indicatie dat deze getuigen liegen om iets te verbergen. Het feit dat ze later elkaars alibi bevestigen, als ze ondertussen hierover met elkaar kunnen hebben gesproken, is
geen sterk bewijs voor het feit dat De Jong niet de dader geweest kan zijn.

Er zijn verklaringen van getuigen dat De Jong al op vrijdag 24 september op de hoogte zou zijn van het overlijden van het slachtoffer. Een vriendin van De Jong verklaart dat hij haar op 24 september op een terras vertelde dat hij een vriendin had verloren en dat hij haar een rouwadvertentie had laten zien waarin iets in de trant van “zij was als een moeder voor mij” werd gezegd. Later twijfelt ze echter over het tijdstip
waarop De Jong haar dit heeft verteld en haar de rouwadvertentie heeft laten zien. [11] Naast deze
verklaring, is er ook een verklaring van een medewerker van de begraafplaats waar de man van het slachtoffer lag begraven en waar het slachtoffer later ook is begraven. Hij verklaart dat De Jong op 24 september rond 08.00 uur naar de begraafplaats was gekomen en hem daar heeft verteld dat mevrouw
Wittenberg die nacht was vermoord. Hij vertelde verder dat ze haar eerst hadden geprobeerd te wurgen en dat zij daarna met zeven messteken om het leven was gebracht. [10] De getuige verklaart verder dat De Jong het zonder enige emotie vertelde, “hij sprak er heel gewoon over”. [11] Deze verklaring legt hij
echter pas af in oktober 2006. Hij geeft aan dat hij dat in een verhoor in oktober 1999 ook aan de politie heeft verteld, maar dat is verzuimd dat in het proces-verbaal te vernoemen. De politie heeft hem zijn verklaring destijds voorgelezen, maar volgens de getuige ging dat zo snel dat hij er maar op heeft
vertrouwd dat alles wat hij heeft verteld er in stond. [11] Over deze verklaring kunnen twee opmerkingen gemaakt worden; het kan het geval zijn dat het geheugen van de getuige over zijn verklaring in 1999 inferentie heeft ondervonden van de kennis die hij inmiddels via de media en de omgeving over de zaak
heeft opgedaan, het kan ook het geval zijn dat de getuige destijds inderdaad deze verklaring heeft afgelegd, dat deze per abuis buiten het proces-verbaal is gelaten en dat getuige heeft verzuimd dit destijds op te merken vanuit vertrouwen in het gezag.

De Jong was geobsedeerd door wapens. Een vriendin verklaart dat Michael in het bezit is van messen van het merk Global. De bloedvlek in de vorm van een lemmet die is aangetroffen op de blouse van het slachtoffer komt in vorm overeen met het lemmet van een mes van het type Global GS8. Het lemmet van
dit mes is ongeveer 10 centimeter lang [7], wat zou verklaren waarom de aangetroffen steekwonden allen 10 centimeter diep waren.

In de voortuin van de woning van het slachtoffer werd een briefje aangetroffen waarin excuses worden aangeboden voor “de spullen die ik en mijn vriend hebben gestolen". Bureau Waisvisz doet onderzoek naar welke aanwijzingen het handschrift geeft over de persoon die het heeft geschreven. Die aanwijzingen blijken beter te passen bij het karakter van de Jong dan dat van Louwes. [7] Ook is op 21 oktober 1999
een anoniem briefje binnengekomen op een politiebureau in Deventer. Beide briefjes zijn wellicht geschreven door de toenmalige vriendin van De Jong, met het doel om de politie op een dwaalspoor te brengen – er was niets gestolen uit de woning van het slachtoffer. [11]

Een getuige verklaart dat hij De Jong na de begrafenis op het kerkhof heeft gezien met een zwart etui en hem later heeft zien weglopen van het kerkhof zonder het etui. Aan de zijkant van het graf van de weduwe was op dat moment een opening tussen de afdekplaat en de grondplaat, waardoor het tasje mogelijk
verdwenen kan zijn. [10]

Een andere getuige verklaart dat hij omstreeks het tijdstip van de moord in de omgeving van de woning van het slachtoffer een ‘enge man’ heeft gesignaleerd. [11]

De dader heeft met grote mate van waarschijnlijkheid handschoenen gedragen . [11] Dit zou de afwezigheid van DNA anders dan dat van Louwes en mevrouw Wittenberg veklaren. De aanwezigheid van zoveel DNA van Louwes zou dan zelfs kunnen tegenspreken dat hij de dader is, omdat hij minder of
geen DNA zou hebben achtergelaten als hij handschoenen zou hebben gedragen. Bovendien verklaart een deskundige dat er wel additionele DNA-profielen zijn aangetroffen op de blouse van het slachtoffer, maar op een dusdanig laag niveau dat het niet mogelijk is om vast te stellen of ze van een andere donor
afkomstig zijn, of dat het alleen artefacten van de gebruikte test zijn. [11] De aanwezigheid van kleine hoeveelheden DNA van een ander zouden een indicatie kunnen zijn dat niet Louwes, maar een ander de dader is.

Verder heeft De Jong ook een motief voor de moord. De Jong ontving met regelmaat geld van het slachtoffer. In een getuigenverklaring is te lezen dat het slachtoffer een slechte relatie had met De Jong en dat zij van plan was hem op 23 september te vertellen dat hij geen geld meer van haar zou krijgen. Met een andere getuige zou zij op 23 september gepraat hebben over haar angst om De Jong over haar
testamentwijzinging te vertellen. Ze vertelde dat De Jong uit het testament moest en dat ze dacht daar problemen mee te krijgen. Zij had deze getuige ook verteld dat De Jong agressief was. [11] Ook gebruikte De Jong met regelmaat grote hoeveelheden alcohol. [7] Dit alles kan een verklaring geven voor de geweldadige wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht; De Jong zou haar in een opwelling, wellicht onder invloed van alcohol en kwaad over hetgeen zij hem zojuist had verteld omtrent hun financiële relatie en de testamentwijziging, om het leven kunnen hebben gebracht met een van zijn messen van het merk Global.

Conclusie

In deze zaak is de verankering van de aanklacht op vele punten zwak. Zowel de identiteit van de dader als de actus reus en de mens rea zijn zwak verankerd. Het meeste aandacht is uiteraard besteed aan de verankering van de identiteit van de dader. Gezien het aantal woorden dat in de verslaglegging van deze zaak is besteed aan het verankeren van de identiteit van de dader, zou te verwachten zijn dat deze verankering de sterkste is van de drie. Echter, de verankering steunt in eerste instantie vooral op een niet deugdelijk uitgevoerde geurproef met een mes, waarvan niet eens wordt bewezen dat het het moordwapen is. In tweede instantie steunt die vooral op DNA-bewijs, waarvan door deskundigen wordt aangegeven dat
het slechts als indirect bewijs gebruikt zou mogen worden en dat DNA-onderzoek zich nog in zo’n beginstadium bevindt dat er voorzichtig mee om moet worden gegaan. Verder baseert de rechter zich in veel gevallen op verklaringen van deskundigen, waarbij tegenstrijdige deskundigen-verklaringen vaak
buiten beschouwing worden gelaten of niet expliciet worden weerlegd.

Dat er sprake is van moord, en niet van doodslag, wordt bewezen met een constructie die even goed of misschien zelfs beter gebruikt zou kunnen worden als bewijs van doodslag. Het kan even goed worden aangenomen dat deze verwondingen in koelen bloede zijn toegebracht, dan dat ze in een aanval van
razernij zijn toegebracht. Het financiële motief van verdachte Louwes wordt ook niet sterk onderbouwd. Zijn ongebruikelijke manier van handelen kan voortkomen uit zijn onervarenheid met dit soort zaken en het spreken over de aanschaf van een huis op Malta of Spanje wordt volledig uit de context getrokken.

Verder kan worden opgemerkt dat de verslagen van uitspraken in deze zaak uitgebreider worden naarmate de tijd vordert. In latere uitspraken worden steeds meer tegenargumenten behandeld en soms weerlegd. Een vreemde omstandigheid gezien het belang van deze rechtzaak; het gaat hier immers om een ernstig misdrijf waar een zware straf voor wordt opgelegd. Een uitgebreide behandeling van het bewijsmateriaal
zou reeds bij de eerste zitting verwacht mogen worden. Was dit het geval geweest, dan zou de zaak wellicht niet zo lang gelopen hebben, en zou men niet te kampen hebben met problemen als tegenstrijdigheid in verklaringen in de loop van de tijd als gevolg van media-aandacht. Men zou ook
kunnen beargumenteren dat in een dermate langlopende zaak met dusdanig veel media-aandacht het belang van het overeind houden van een vertrouwen van de maatschappij in het rechtsysteem het belang van deze ene persoon overstijgt. Dit heeft wellicht niet expliciet meegespeeld, maar onbewust kan het een rol hebben gespeeld in oordelen van rechters in latere zittingen in deze zaak.

Overigens is ook in latere verslagen niets terug te vinden over de geloofwaardigheid of gedragingen van getuigen en de verdachte, iets dat wel een rol kan hebben gespeeld in het oordeel van de rechter. In [9] wordt aangegeven dat zaken als intonatie en mimiek voor de geloofwaardigheid en interpretatie van een verklaring soms van doorslaggevend belang zijn, maar deze worden niet in het verslag van de rechtzaak vastgelegd. De wet eist ook niet dat een rechter dit soort zaken verwoord in de bewezenverklaring, ook al laat hij zich er wel door overtuigen. Ook is de keus van het bewijsmateriaal aan de rechter en hoeft hij dit niet te motiveren. Wagenaar adviseert om een dergelijke verankering van bewijs juist wel expliciet te maken. [4] Deze analyse van de Deventer moordzaak laat hier ook duidelijk het belang van zien.

Tot slot is er in deze zaak een alternatief verhaal dat op dit moment weliswaar zeer zwak verankerd is, maar na nader onderzoek – met name in de periode vlak na de moord - wellicht aannemelijker had kunnen worden gemaakt. [9] Ook is duidelijk dat in deze zaak in elk geval enkele fouten gemaakt zijn en dat is gepoogd deze fouten te verdoezelen. Er kan niet worden uitgesloten dat er niet meer fouten gemaakt zijn,
met name omtrent het DNA-bewijs en het afnemen van getuigenverklaringen omtrent het handelen van
Michael de Jong.

Er zijn op dit moment geen aanwijzingen om aan te nemen dat Louwes onschuldig is, echter zijn schuld is ook niet voldoende bewezen. Bovendien is ook van De Jong zijn schuld niet bewezen, maar ook van zijn onschuld is onvoldoende bewijs gegeven. Het is onwaarschijnlijk dat een van deze twee alternatieven op dit moment nog ‘beyond reasonable doubt’ kan worden vastgesteld. Wat dit document duidelijk maakt is
dat zowel het minutieus uitvoeren en vastleggen van initieel onderzoek van groot belang is in, als het expliciet vastleggen van alle aannamen die in de bewijsvoering worden gebruikt. In deze zaak is vooral te zien dat men tot in het einde der tijden kan blijven strijden over de betrouwbaarheid van verschillende
deskundigen, als de reden van de rechter om een bepaalde deskundige te wantrouwen niet expliciet wordt gemaakt.

Referenties

[1] Dossier Deventer moordzaak, omschrijving van feiten en documenten,
http://dossier.rechtspraak.nl/ResultPage.aspx

[2] Wikipedia, Deventer moordzaak,
http://nl.wikipedia.org/wiki/Deventer_moordzaak

[3] Ernest Louwes, Mijn eigen zaak in mijn eigen woorden,
http://dmz.homelinux.net/eigenverhaal/louwes_eigen_verhaal.htm

[4] W. A. Wagenaar, P. J. van Koppen, and H. F. M. Crombag, Anchored narratives: The
psychology of criminal evidence

[5] Dossier Deventer moordzaak, uitspraak LJN: AD8964, Gerechtshof Arnhem ,
21-000908-00,
http://dossier.rechtspraak.nl/ResultPage.aspx

[6] Dossier Deventer moordzaak, uitspraak LJN: AD5148, Hoge Raad , 01327/01,
http://dossier.rechtspraak.nl/ResultPage.aspx

[7] Dossier Deventer moordzaak, uitspraak LJN: AE8165, Hoge Raad , 00095/02 H ,
http://dossier.rechtspraak.nl/ResultPage.aspx

[8] Dossier Deventer moordzaak, uitspraak LJN: AO3222, Gerechtshof 's-Hertogenbosch ,
20.002219.03,
http://dossier.rechtspraak.nl/ResultPage.aspx

[9] Dossier Deventer moordzaak, uitspraak LJN: AR5714, Hoge Raad , 01568/04,
http://dossier.rechtspraak.nl/ResultPage.aspx

[10] Dossier Deventer moordzaak, uitspraak LJN: AZ1858, Rechtbank 's-Gravenhage ,
KG 06/1309,
http://dossier.rechtspraak.nl/ResultPage.aspx

[11] Dossier Deventer moordzaak, uitspraak LJN: BA1024, Hoge Raad , 02057/06 H,
http://dossier.rechtspraak.nl/ResultPage.aspx

Reactie plaatsen

Naam

E-mail

Bericht

Reacties worden geladen...
Monique in LAF