Met zijn penseel zet de kunstenaar een symbool neer dat voor iedereen iets anders betekent, maar dezelfde functie heeft: de fantasie te prikkelen. Zo creëren verhalen een droom-wereld die er voor eenieder anders uit ziet en anders voelt. Door taal te gebruiken om beelden en gevoelens te beschrijven gun je iedere lezer zijn eigen droom. Dat is wat verhalen voor
mij al van jongs af aan zijn: voeding voor dromen. Dromen die het leven zin geven. En wat kan de zin van het leven anders zijn, dan je leven zin te geven?

Labels

Laatste berichten

Verdwaald

Korte verhalen - maandag 13 december 2010

Een lichte paniek maakte zich meester van Robin. Ze was weer verdwaald. En dan werd ze ook nog achterna gezeten door een hele horde schaduwmonsters. Ze moesten ook altijd haar hebben. “Waarom gaan jullie niet eens iemand anders lastig vallen?” riep ze, terwijl ze angstig in het rond bleef draaien. Ze wist namelijk niet waar ze waren, ze wist alleen dát ze er waren.

Je kunt schaduwmonsters alleen in het licht zien, en het was ontzettend donker om Robin heen. Niet het soort donker waarin je niets kan zien, maar het soort donker waarin je te veel ziet. Overal om zich heen zag ze die gruwelijke gestalten, maar ze wist niet welke daarvan echt waren.

Ze waren er altijd geweest, de schaduwmonsters. Ze waren er toen de jongens op de kleuterschool haar barbiepoppen onthoofdden. Ze waren er als de kippen bij als ze in bed had geplast. Als ze een fout had gemaakt in haar huiswerk, als er iemand boos op haar was, als ze zich verveelde, als ze iets moest doen waar ze geen zin in had. Ze kon zich niet herinneren dat er een tijd was geweest dat die beesten haar nog niet probeerden te pakken te krijgen. Ze hadden altijd al hun ogen op haar gericht gehad. Zestien jaar lang achtervolgden ze haar, dag na dag, wachtend op de nacht. Maar het was niet altijd zo donker geweest om Robin heen. Vroeger kon ze ze tenminste nog zien. Ze waren toen ook nog niet zo sterk. Een simpel nachtlampje was voldoende geweest om ze te zien aankomen en ze had ze elk op hun zwakke plek geraakt voordat ze haar iets hadden kunnen doen.

In de nacht waarin haar opa gestorven was, hadden ze massaal aangevallen. Ze dacht aan hem en deed alsof hij nog leefde. Dat had de monsters afgeschrikt, en ze waren op afstand gebleven. Fantasie, dat was hun zwakke plek en haar wapen. En met een wapen moet je leren omgaan. Je moet weten hoe je het vast moet houden, hoe je het moet laden, hoe je moet richten, en hoe je de trekker overhaalt. Uit voorzorg ging ze boeken lezen, en films kijken. Zo sloeg ze munitie in. Poppen en knuffelberen speelden de hoofdrol in films die ze zelf had bedacht. Ze leerde het wapen te laden. Haar vriendjes en vriendinnetjes speelden mee in haar verhalen, maar toen Dennis voor zijn verjaardag een Nintendo kreeg, had iedereen de interesse in háár spelletjes snel verloren. Iedereen behalve Annemarie, maar Annemarie had niet zoveel fantasie. Annemarie luisterde naar muziek waar geen woorden in zat en ze had tijdschriften waar bijna alleen maar foto’s in stonden. Soms gingen ze samen  kleren kopen en Annemarie probeerde Robin dan van alles aan te smeren. Maar Robin had geen oog voor mode. Robin droeg alleen kleren die de fantasie prikkelden: broeken met rare patronen, shirts met een print waarin je een verhaal kon ontdekken. Ze nam het haar niet kwalijk; Annemarie wist niet van het bestaan van de monsters en van de gevaren van mode. Ze had het haar niet verteld. Ze had het niemand verteld. Het was háár gevecht, het was niet nodig anderen in gevaar te brengen, ze kon de monsters immers zelf makkelijk aan.

Het werd moeilijker toen ze naar de middelbare school ging. Dit was een nieuwe wereld, met nieuwe, sterkere monsters. Bovendien had ze nu geen nachtlampje meer. De eerste generatie monsters had scherpe tanden en felgroene ogen, maar hun poten waren wollig en warm. Wanneer ze hun ogen hadden gesloten en hun bek nog niet hadden opengetrokken, had je bijna de neiging om ze te gaan aaien. De nieuwe monsters waren veel feller. Het felgroen van hun ogen brandde een gat in je ziel als je niet uitkeek, en ze hadden scherpe klauwen ontwikkeld. Ze werd steeds vaker aangevallen en de gevechten werden heviger. Omgang met de fantasieloze Annemarie werd gevaarlijker, maar ze had haar nodig. Van Annemarie wist ze tenminste zeker dat ze echt was. Ze fantaseerde een groep vrienden die tijdelijk bescherming bood. Maar na een paar weken zag ze een groene gloed toen ze een van hen in de ogen keek. Een ander had ineens wel erg lange nagels voor een jongen en een van de meisjes kreeg steeds meer haar op haar armen.

Haar moeder was de kamer binnengekomen en had het licht aangedaan. “Ik maak me zorgen om je, Robin”, had ze gezegd. “Trek je toch niet zoveel aan van die pubers om je heen, ze worden heus wel een keer volwassen.” Begreep ze dan niet dat dat niet het probleem was? Zou ze het haar vertellen? Ze was bang. Misschien kon haar moeder haar helpen. Wat had ze te verliezen? Ze richtte haar hoofd op en voelde haar moeders ogen in de hare priemen, haar moeders groene ogen, haar moeders felgroene ogen. Had ze haar angst gezien? Ze moest hier weg. “Ik ga naar Annemarie”, had ze gezegd. Haar moeder was kwaad geworden, maar ze kon niet met haar praten. Buiten was het donker en het werd steeds donkerder. Ze zag niet meer waar ze heen ging. Haar moeder achtervolgde haar. Haar klasgenootjes voegden zich bij haar. De buren, leraren, plaatselijke winkeliers, de tandarts, de pastoor. Steeds meer schaduwmonsters, sommigen vermomd als bekenden, anderen nog onbekend. Allemaal zaten ze achter háár aan.

Er voegde zich nog iemand bij hen, ze kon het niet goed meer zien. Was dat Annemarie? Het werd donkerder en donkerder. Overal waar ze keek, staarde een stel felgroene ogen uitdagend terug. Ze briesten haar allerlei verwensingen toe die ze niet kon verstaan. De stank van hun warme vochtige adem deed Robin denken aan de geur van een vuilniszak bij 30 graden. Ze voelde de paniek vanuit haar hoofd afdalen. Het begon als een lichte tinteling tussen haar wenkbrauwen. Terwijl de tinteling steeds sterker werd, draaide ze in de rondte en sloeg wild om zich heen, hopend dat dat ze op afstand zou houden. Terwijl de spoken uit haar verleden naderden, had de tinteling zich verspreid over haar hele hoofd. Het zou nu niet lang meer duren voordat ze de controle over haar armen zou verliezen. Ze voelde de tinteling naar haar schouders kruipen. Via haar schouders daalde hij af naar haar borst en haar bovenarmen. Haar bovenlichaam was nu totaal in paniek. Haar armen stopten met zwieren en ze was alleen nog maar rondjes aan het draaien. Vluchten was de enige optie. Ze probeerde uit alle macht een signaal naar haar benen te sturen. Door de tinteling heen baande het signaal zich een weg langs haar ruggenwervels richting haar benen. Ineens voelde ze een stoot adrenaline door haar benen gaan. Duizelig en met een verlamd torso boven zich baanden haar benen zich een weg door de kluwe schaduwmonsters. Er leek geen einde aan te komen. Af en toe was het alsof ze werd gegrepen, alsof scherpe klauwen haar witte huid doorkliefden. Soms ook dacht ze dat ze voelde dat hun warme harige poten haar nek afklemden. Maar de gevoelloosheid van de paniek overheerste. De tinteling had haar bovenbenen bereikt. Ze kon zich amper staande houden. Twee momenten later stortte ze neer op haar knieën. Haar bovenlichaam wankelde. Recht voor zich, zag ze een muur. Hij was donkerrood geverfd, maar precies in het midden was een vierkantje wit gelaten; dit was geen buitenmuur. Ze wist niet of de muur echt was, maar ze had de moed nog niet opgegeven. Door heen en weer te schommelen had ze beweging in haar rechterarm weten te krijgen. De arm begon steeds heftiger van voren naar achteren te zwieren, terwijl Robin haar lichaam van achteren naar voren liet overhellen. Ze was er nu zeker van dat een van die ellendelingen haar te pakken had, want ze kreeg geen lucht meer. Dit was haar laatste kans. Ze haalde uit, terwijl ze zichzelf voorover liet vallen.

Ze had geen idee of ze dat vierkantje nu geraakt had, of er überhaupt wel een wit vierkantje was geweest. In een flits zag ze een donkerbruine tafel. Ze ademde diep in. Het werd weer donker. Weer werd ze verstikt. Nog een flits. Papieren. Overal om haar heen lagen papieren. Ze kon nog net op tijd een flinke teug lucht tot zich nemen. De greep van het schaduwmonster leek af te nemen. Nog een flits. De papieren waren beschreven. Haar aandacht werd getrokken door één specifiek woord. Ze herkende het woord. Ze haalde diep adem voordat het weer donker zou worden. De greep van het arme dier was zo zwak dat ze gewoon door kon ademen. Ineens realiseerde ze zich wat ze in de lichtflits had gezien; het was haar eigen naam geweest. Alles werd nu veel duidelijker. Het tl-licht bleef deze keer aan. Ze stond op en liep naar de donkerbruine tafel, háár donkerbruine tafel. De tafel was, evenals de vloer, bedekt met beschreven papieren, haar papieren, haar handschrift. Ze bukte zich, raapte het blad op waarop ze haar naam had zien staan en las: “Een lichte paniek maakte zich meester van Robin.”

Reactie plaatsen

Naam

E-mail

Bericht

Reacties worden geladen...